Zaden met brede vliezen

Spreeuwen, lastige beesten

Door: Jaap Woets

 

Al 5 jaar hebben de spreeuwen 's winters een slaapplaats in mijn berk, die dicht begroeid is met klimop. Ik schreef daar eerder over in dit blad, nr. 2/2015. Nu gaat het over irritatie en overlast die mensen door de aanwezigheid van spreeuw op diverse plekken ervaren.
Spreeuwen, leuke beesten. Jammer dat we ze niet verdragen.

 

Thuis
In de herfst komen de spreeuwen in mijn tuin direct aanvliegen in groepjes van 5-10 vanuit de verzamelplatanen in een naburig plantsoen.
Na hartje winter komen ze in grotere groepen aanvliegen, deze winter wel 100 in februari. In deze tijd blijven ze als grote groep meer dan een half uur rondvliegen boven mijn huizenblok aan de oostzijde van Goes en ze weten zich dan na massaal binnenvallen in de klimop te schikken voor hun persoonlijke slaapplaats.
Er wordt geen groot kabaal gemaakt en al heel gauw is het helemaal stil.

 

Boomgaard
Als zoon van een fruitteler bij Willemstad weet ik van het verjagen van de spreeuwen in erg warme zomers, bijvoorbeeld die van 1947.
Dan konden de spreeuwensnaveltjes niet in de harde grond en hadden de vogels het gemunt op zachte vochtige appels.
Als wij als spreeuwenwachters de slaaptrek naar de rietgorzen langs het Hollands Diep op gang zagen komen, waren we opgelucht.
Dat was in augustus, lang voor zonsondergang. We konden op tijd naar huis voor het warme avondeten.

 

Foto Niek Oele SpreeuwFoto Niek Oele ©. spreeuw.

 

Veel later heb ik pas geleerd over het verband van zomerweer met harde grond en het terugvallen van de spreeuw op vochtig fruit.
Dat was in 1968, tijdens mijn onderzoek naar vogelschade in een proefboomgaard in de Betuwe.
Daar kwam iemand van het Itbon wanneer er geen mensen in de boomgaard waren die de vogels in hun gedrag stoorden, net als ik. Het Itbon - een toenmalig instituut voor onderzoek aan soorten die vielen onder de Jachtwet - deed al aan landelijke tellingen van het waterwild, inclusief de ganzen.
De Itbon-man leerde mij een en ander over de spreeuw.
Deze vogel wil met zijn fijne snavel insecten verzamelen in het grasland en gaat daarom achter koeien aan die bij hun gang insecten opjagen.
De zwermen spreeuwen komen vroeg in de zomer - in juni - uit oostelijke landen, zoals Polen en Litouwen.
Daar is de grond door droogte dan te hard is geworden om de daarin aanwezige insectenlarven te kunnen verschalken.
Overigens stuiten ze in Nederland op hetzelfde probleem, ook hier treffen ze al vaak harde grond in te droog grasland aan.
In de Betuwe liggen de graslanden in de kommen dicht bij de boomgaarden op de stroomruggen. Als het grasland door langdurige regen te nat is, willen de spreeuwen daar niet zijn en zoeken ze hun heil in de kersenboomgaarden om hun honger te stillen.

 

De stad
Irritatie over spreeuwen in de stad treedt op in de late zomer en de herfst, en betreft vooral de luidruchtigheid en het ophopen van uitwerpselen op de slaapplaatsen.
In Maassluis stelde Maarten 't Hart vast dat de spreeuwen hun slaapplaats op de begraafplaats van zijn vader moesten verlaten door het kappen van de slaapbomen.
Vervolgens werden de dichtstbijzijnde grote bomen aan de Stationslaan in gebruik genomen.
Vanaf toen werden de Maassluise forensen in de avondschemering door de spreeuwen bemest op hun loopje van het station naar huis. Het werd ze niet in dank afgenomen.

 

 

Slaaptrek, mijn spreeuwenslaapplaats

 

Door: Jaap Woets 13 maart 2015

 

Inleiding

Op een dag in de herfst van 2011 viel me op dat tientallen spreeuwen mijn achtertuin binnenvielen tegen de schemering. Ze verdwenen in de kluit klimop, die hangt in de berk.

 

Mijn berkeboom

Ik woon in de meest oostelijke huizenrij van Goes. Mijn achtertuin ziet uit op het westen. Ik streef naar een tuin als een bosrand met het oog op een goed biotoop voor soorten insecten en vogels. Langs de noordkant van mijn westelijke achtertuin (7 x12 m) staat een rij bomen die moet beschutten.
Toen ik er kwam wonen (1994) was de ruwe berk 7 m hoog, ruim boven de dakgoot. De klimop was al begonnen aan het klimmen en omstrengelen. Dat vond ik prima want de berk zou dan wel
rustig aan moeten gaan doen in de omarmende klimopstengels. Hij zou dikker gaan worden en de klimop zou weinig toegeven. Zo intomen van de berk leek me wel voldoende. In de voorbije 20 jaar is het volume van de klimop gegroeid tot een ovale takkenmassa van 4 m hoog en 2 m breed, een inhoud van tegen de 6 m3.

 

Slaaptrek van merels

Toen ik serieus aan veldbiologie ging doen (1962) kwam ik bij het slaaptrekonderzoek van merels door Jan Marbus uit Wageningen. Hij woonde aan de oostkant van Wageningen en herkende een patroon van merels die dagelijks vlogen naar het oostelijker bos voor de winterse avondschemering. Zij kwamen uit de bebouwde kom van Wageningen en gingen over het open akkerland van de eng, het ouderwetse akkerbouwgebied ten oosten van Wageningen, naar het bos op de stuwwal.
Door de regelmatige tellingen van Jan Marbus en anderse CJN-ers aan alle kanten van het inmiddels bekende bosperceel van sparren werd vastgesteld dat ook merels kwamen slapen vanuit het grote bos op de stuwwal aan de andere kant van het sparrenperceel. Door die tellingen bleek ook dat het aantal merels op dagelijkse slaaptrek toenam voor de winter en na hartje winter geleidelijk ging afnemen tot nul voor het broedseizoen.
Er bleek ook een slaaptrekpatroon t.o.v. de daglengte. Hoe eerder de zon onderging (kortere dagen), hoe eerder de merelslaaptrek op gang kwam. Af en toe werd het daglicht al eerder minder door bewolking of een oprukkend weersfront. Dan was de lichtintensiteit eerder laag in de middag en de mereltrek reageerde navenant qua tijdstip. Na de kortste dag viel de slaaptrek later naar de maat van de langer wordende dag.
Later is door Luit Buurma en andere jeugdbonders vastgesteld dat zo'n patroon van merelslaaptrek ook is vast te stellen naar de plantsoenbosjes binnen steden als Amsterdam.

 

Spreeuwenslaaptrek op mijn berkeboom

Vanaf de herfst van 2011 is het aantal slapende spreeuwen in de berk met kluit klimop toegenomen. Deze winter heb ik een paar keer geteld. Tegen het einde van 2014 kwamen er 80 beesten slapen. De invallende groepjes van 3 tot 10 verdwenen direct na het invallen binnen de klimop, dus uit zicht. 's Ochtends was het wegvliegen veel trager. De vogels bleven gedurende verscheidene minuten op de kale berketakken zitten, al dan niet na een bad in mijn ruime vogeldrinkbak. Een deel liet zich zacht fluitend en kwetterend horen.
In de morgen van 1 januari van 2015 heb ik geen uitvliegende spreeuw kunnen vaststellen. Ze waren al in het donker vertrokken. Het tijdstip is wellicht te raden.
In de eerste weken van het jaar liep het aantal slapende dieren weer op en werd zelfs hoger. Op 9 maart zijn er 140 dieren de klimop ingevlogen. Ze komen uit de wijde omgeving aan in een plataan op 100 m zuidwestelijk van mijn tuin. Vandaar vliegen ze naar mijn berkeboom en ik kan dan goed tellen tegen de avondhemel.
Voor hartje winter kwamen ze recht aangevlogen in kleine groepjes van ten hoogste 10 stuks. Na januari komen er geregeld 20 tegelijk aan, maar het recht komen aanvliegen is nu uitzondering. Het is net of ze de tijd wel hebben en ze doen nog verscheidene kleine rondvluchten tussen de voorverzamelplataan en de klimop in mijn tuin. Het is toch voor mij heel bijzonder hoe snel die dieren bij de klimop aankomen, weten in te houden en zich binnen de kluit klimop weten te verdelen over hun slaapplekjes. Geluidsoverlast is er beslist niet; als gehoorzame kinders blijven ze niet kletsen voor het slapen gaan.
's Ochtends vliegen de spreeuwen verspeid de omgeving in. Maar een klein deel gaat eerst naar de plataan van het voorverzamelen.
Overdag verkeren er wat spreeuwen in mijn tuin (< 5), die baden en eten van het gestrooide voer en de mezenbollen eer ze gaan zitten poetsen in de aanwezige kale struiken. Ik heb er geen idee van of ze horen bij de ruim 100 overnachters in de klimop.

Beleving en zorg

Ik kan erg genieten van de slaaptrek van duizenden spreeuwen die naar de rietvelden van zuidwestelijk Nederland vliegen om er te slapen. Ik voel het als een aparte ervaring dat zich dat in het klein kan voordoen in mijn Goese woonwijk en mijn tuin.
Ik loop tijdens het invliegen (ongeveer een uur) niet door mijn achtertuin, want tijdens en direct na het binnenvliegen laten ze zich gemakkelijk storen en vliegen er weer heel wat de boom uit.
Tijdens de gebruikelijke stormen met vlagen van windkracht 10 zie ik mijn topzware berk met klimop flink bewegen. Gelet op het beperkte aantal bebladerde takken, is de conditie van de berk duidelijk minder goed door de wurging. Er is een risico dat een goede vlaag zorgt dat de boom mijn huiskamer zal binnenvallen. Ik heb sterk de indruk dat in het onderste kwart van de klimoppruik geen spreeuwen slapen. Dat deel ruim ik maar op als het slaaptrekseizoen voorbij is en daarmee wil ik berk en klimop sparen als slaapplaats voor de komende winter van 2015.

 

 

 

 

PTT-telling op het 'Schengepad'

 

Door: Pieter Steennis.

 

Op woensdag 21 december hebben Bram Korteknie en schrijver dezes een wintervogeltelling uitgevoerd volgens het PTT-systeem. PTT is een afkorting van Punt-Transect-Telling. Deze telling wordt in het hele land gedaan en de gegevens gaan naar SOVON.
De methode is als volgt: op een van te voren vastgestelde route zijn 20 punten vastgelegd en op ieder punt wordt 5 minuten stilgehouden en worden alle binnen het zicht en gehoor zijnde vogels geteld, ook de overvliegende. Het zal duidelijk zijn dat men de silhouetten van de dieren wel een beetje in het hoofd moet hebben. De telling is door SOVON ingevoerd om inzicht te krijgen in de niet aan water gebonden vogels in de winter. Van de watervogels is veel meer bekend, denk maar aan de maandelijkse ganzentellingen en de midwinter-watervogeltelling. Bram en ik hebben de route het 'Schengepad' genoemd.

 

Het Schengepad begint in 's-Heer Hendrikskinderen en loopt via de zuidkant van het Poelbos naar 's-Heer Arendskerke en daarvandaan naar de Domeinplaat en dan weer terug naar 's-Heer Hendrikskinderen. Onderweg ben je dan in dorpskernen, echte landbouwpolders en een enkele boomgaard, variatie alom. Met name de telpunten op de Domeinplaat staan in kaal akkerland. Er staan daar maar een stuk of 4 boerderijen. Het tellen vond plaats met de auto en duurde ruim twee en een half uur.

 

Fotokaart PTT telling 2016 1 Small

Vastgestelde route van de 20 telpunten.

 

Beelden Punt-TransectTelling SOVON Info Bram Korteknie

 

 

 

 

 

Verslag Deesche Watergang 2014

 

 Door: Bram Janse †.


De Deesche Watergang, ten zuidwesten van Kattendijke, is rond 1134 door monniken ontgrond voor de aanleg van de Monnikendijk. Het is nu een natuurgebied en wordt beheerd door Staatsbosbeheer (SBB). Hieronder het verslag van de vogels in 2014.

 

Start

Het afgelopen jaar was er een met wisselend succes. Na een winter zonder vorst van enige betekenis stond het water vrij hoog. Volgens mij te hoog voor kans op broedsucces bij kalegrondbroeders, zoals kluut en visdief. Op mijn verzoek aan SBB is het waterpeil 10 cm naar beneden gebracht, wat tot gevolg had dat eilandjes die onder water waren verdwenen weer boven kwamen. Dit bleek een gouden greep te zijn. Toen het broedseizoen aanbrak, werd er veel gebruik gemaakt van de pas verworven ruimte.

 

Visdief

Door regelmatige telling van broedende vogels bleken er rond de dertig visdiefjes te zitten. Bij de telling aan het eind van het broedseizoen was het aantal verdubbeld met vliegvlugge jongen. Dit is natuurlijk niet alleen toe te schrijven aan de nieuwe broedgelegenheid; ook de aanwezigheid van voldoende voedsel in de Oosterschelde was van belang. Broedsels van twee en drie jongen waren geen uitzondering.

 

Kluut

Van de kluut, die niet alleen op de eilandjes broedt maar ook op het aangrenzende bouwland, viel het broedsucces tegen. Binnen de Dee, dus op de eilandjes, waren er wat jonge vogels. Van de vogels die het land als broedplaats gekozen hadden is niet veel teruggezien. Een watergang met vrij steile oevers is een van de oorzaken. Deze watergang valt onder beheer van het Waterschap, dat die situatie eventueel kan aanpassen. Misschien kan de vereniging het waterschap hierop eens aanspreken?

 

Overig

Het aantal kokmeeuwen was het afgelopen jaar spectaculair toegenomen. Met naar schatting 450 broedparen de meest voorkomende broedvogel. Een zegen voor kluut en visdief, die door de meeuwen van predators gevrijwaard bleven. Het aantal overzomerende ganzen was minder dan vorig jaar, vooral het aantal jonge ganzen was veel minder in aantal. Verder broedden er in het deel waar geen begrazing plaatsvindt de laatste jaren meer tureluurs en eendensoorten, zoals kuifeend en slobeend.

 

 

Divers

 Ook als foerageergebied is de Deesche Watergang van belang. Het vrij ondiepe water zit vol met brakwaterslakjes, wat voor grondelende vogels ideaal is. Jammer dat het observeren, overdag, vanaf het plankier bij de dijk zo moeizaam is in verband met de zon. Het is dan ook aan te raden tegen de avond te gaan kijken, dan is de zon naar het westen gedraaid. In het achterste deel, tegenover het oude spoorhuis, is het water dieper. Daar zitten aalscholvers op de paaltjes te drogen en er zwemmen tafeleenden en soms dodaars. Ook broedt er een kiekendief in het daar aanwezige riet. Het grasland ernaast zal in de komende jaren worden afgegraven. Het wordt dan plas dras, wat ideaal is voor moerasvogels.

 

 

Vogeleilanden Dee - Foto Bram Janse

 Vogeleilanden in de Deesche Watergang - Foto Bram Janse † ©.

 

 

 

 

 

  

Witte Veder

Merel met wit

Door: Pieter Steennis

 

Sinds enige tijd zie ik in mijn tuin een merel met een witte staartveer. Het is een volwassen mannetje, vandaar dat ik hem Witte Veder heb genoemd. Het dier snoept regelmatig van mijn druiven en is ook in de buurtuinen waar te nemen. Mijn buurman vroeg me hoe dat kan en of het meer voorkomt. Verder valt op dat het een nogal agressief dier is, met name voor andere mannetjes-en vrouwtjesmerels. Dat duidt waarschijnlijk op het verdedigen van zijn voedselterritorium.

 

Wit
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: het gaat hier om een leucistische merel.
Leucisme, het woord is afgeleid van het Griekse leucos, wat wit betekent. Denk maar aan leukocyten, de witte bloedlichaampjes. Het is beslist geen albinisme. Hierbij is het vermogen om pigment te vormen volledig verloren gegaan en zijn albino's erg gevoelig voor zonlicht. Bij albinisme wordt geen
melaninepigment gevormd. Leucisme komt meer voor, bij kraaiachtigen, brandganzen,
meerkoeten en vele andere soorten. Als je op internet de term leucisme invoert, kom je talloze verwijzingen tegen. Wel opletten, want er worden vele andere kleurafwijkingen gemeld.

 

 Witte veder

Foto Adrie Menheere ©. witte veder.

 

Melanine
Een leucistische vogel kan dus wel melanine vormen in zijn pigmentcellen, maar de kleurstof wordt niet doorgegeven aan de veercellen. Van melanine is een aantal vormen bekend. Bijvoorbeeld de bruine kleur bij de vrouwtjesmerels. Bij de vorming van het pigment kan een storing optreden, meestal als gevolg van een mutatie. Het gaat dan om een genafwijking van de meest voorkomende vorm. Biochemisch gezien is dat wel interessant. Omdat leucisme nogal wordt waargenomen
bij kauwtjes - en dan voornamelijk in stedelijke gebieden - dacht men aanvankelijk dat de dieren met gedeeltelijk witte veren een belangrijke voedingsstof in hun dieet misten. Men dacht dat dat kwam
door een gebrek aan het aminozuur tyrosine. Dit aminozuur is belangrijk voor de melaninesynthese. Als dat het geval zou zijn, zou het verschijnsel ook in een enkele veer aanwezig moeten zijn. Dan is er dus sprake van een gevlekte veer. Bij leucisme is de hele veer wit.

 

Andere dieren
Bij het raadplegen van internet vond ik vele plaatjes van leucistische dieren. Niet allemaal zijn het leucistische vormen; grijsbruine dieren, isabelachtige kleuren enz. Zo zag ik het bij leeuwen, tijgers
schildpadden en slangen. Van kleurafwijkingen wordt gebruik gemaakt bij het fokken van kanaries, parkieten en vele andere hobbyvogels.

 

Geraadpleegd: het internet en een artikel van Hein van Grouw in Het Vogeljaar,

60(1), pp. 3-20: Het fenomeen 'witte veren' bij kraaiachtigen.