STEENUILEN BESCHERMINGSPROJECT BEVELANDEN-WALCHEREN 2007-2012.

 


Sinds 1 januari 2007 voert Peter Boelee van Bureau Natuurbelevenis werkzaamheden uit in opdracht van Stichting Landschapsbeheer Zeeland om de Steenuilpopulatie op Zuid-Beveland  te behouden en mogelijk  uit te laten breiden richting Noord-Beveland, Walcheren en West-Brabant.

De Steenuil, in Zeeland “poepuul”genoemd vanwege de roep van het mannetje dat klinkt als “poe-oep..is een uitgesproken holenbroeder. Ongeveer ter grootte van een Merel is de Steenuil de kleinste uil in Nederland en broedt voornamelijk in holtes van gebouwen, bomen, soms in konijnholen of steenhopen. Op de Bevelanden lijkt de Steenuil duidelijk voorkeur te hebben voor broedkasten en holle bomen, zoals Knotwilgen, Grenslindes en hoogstamfruit- en notenbomen. Zijn voedsel bestaat voornamelijk uit kevers, rupsen, regenwormen en muizen, in strenge winters komen vaak ook kleine zangvogels op zijn menu voor.

Een paartje Steenuilen legt éénmaal per jaar 2 tot 5 eieren en hoeveel jongen er uitvliegen is afhankelijk van de weersomstandigheden in april en mei en de hoeveelheid beschikbaar voedsel.  Bij een gebrek aan muizen schakelen Steenuilen over op een menu van regenwormen, maar dan moet de grond door aanhoudende droogte niet te hard zijn. Een Steenuil wordt over het algemeen niet veel ouder dan 5 jaar. Jonge Steenuilen verlaten het ouderlijk territorium in augustus of september en proberen in de omgeving in een geschikt Steenuil biotoop een nieuw territorium te vestigen. Of ze nemen een opengevallen plek in, waar Steenuilen mogelijk zijn overleden. Op Zuid-Beveland voldoet een geschikt Steenuilbiotoop aan de volgende eisen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Foto's Peter Boelee ©.

Steenuilen kunnen dichtbij gemakkelijk voedsel vinden, ze zijn er veilig  voor vijanden, zoals roofvogels, katten en verkeer en er bevinden zich natuurlijke holtes waarin ze kunnen slapen en broeden.  Op de Bevelanden lijken de Steenuilen voorkeur te hebben voor door mensen bewoonde boerenerven, er is dus een zekere mate van bedrijvigheid en het erf wordt niet al te netjes gehouden. Er bevindt zich een wei die wordt begraasd door klein vee, met (oude) hoogstamfruitbomen en/of notenbomen en/of kastanjebomen. In de wei staat het gras niet hoger dan 10 cm, er bevinden zich weidepaaltjes en misschien is er ook een poel aanwezig. Bij de broedplek is voldoende dekking en bevinden zich ruigtes waar muizen zich ongehinderd kunnen vermeerderen. Huiskatten kunnen hier tijdens het broedseizoen ’s nachts worden opgesloten. Rondom het erf is voldoende dekking om veilig te kunnen jagen. 

Is het erf wel geschikt, maar is er niet voldoende nestgelegenheid in de vorm van holle bomen of oude schuren, dan kunnen er één tot twee broedkasten geplaatst worden. De kast wordt zo geplaatst dat jonge Steenuilen, die op een leeftijd van drie weken de kast al verlaten ondanks dat ze nog niet kunnen vliegen, zo uit de kast op de takken van de boom kunnen klimmen. Soms vallen ze er af en dan is het dus belangrijk dat ze meteen terug in de boom kunnen klimmen. Een gazenkorf tegen veevraat verhindert dat, dus een door takken gemaakte houtril rondom de boom zou hier dan zeker meer doelen dienen.